|
Jan heeft dezelfde energie als Times
Square; als je bij een van beiden in de buurt bent lijken grootse levensdromen binnen handbereik. Jan geeft antwoord op ontregelende
vragen die nooit gesteld zijn en leidt zijn anecdotes in met de
opluchting van de reiziger die na een sprint nog net op tijd was voor de laatste trein;
alsof hij zich plots nog iets herinnerde dat bijna verloren was
gegaan.
Als Jan vertelt gaan mijn ogen opener,
zowel in figuurlijke als letterlijke zin. Zijn oogopslag spiegelt
zich in de mijne: met een zo wijd mogelijk bereik van het netvlies
speurende naar zoete indrukken, naar momenten met een kartelrandje,
naar bevestiging. Wanneer hij zijn blik op mij richt valt het
pantser van mijn borst. 'Wat kijk je intens naar me,' zeg ik dan, een
beetje spottend, in de wetenschap dat zijn ogen niet alleen bij mij
opener staan.
Gelukkig maar. Mijn bewondering voor
Jan heeft niets met vleselijke lusten van doen, de gedachte aan
nabijheid van zijn lichaam boezemt mij zelfs een milde vrees in. Als het kon
zou ik wel graag mijn hersenen uit mijn schedel lichten om ze te
laten neuken met de zijne. Het vlees en het onkenbare van de ander
voorbij, dat schijnt me de ultieme synergie.
Jan heeft overigens ook een vriendin,
die van een danig benijdenswaardige klasse schoonheid is dat ze
ongetwijfeld haat zaait onder vrouwen zonder weerbaarheid voor
competitie. Als mijn verliefdheid een andere dan de a-seksuele zou zijn had ze wellicht ook grip op mij gehad, maar mijn
gevoelens zijn van de zuiverste aard. Ongehinderd door jaloezie maak
ik een kalme schoolslag door de onbesuisde zee die Jan is en geniet van de
golven, die neurien in de consonanten van het samenzijn. |